Joepie! Tien vrienden… oh nee, negen… hmm, vreemd, wie is er… oh ja, ik zie het al. Tsss…
 
Wanneer je tien vrienden hebt, is het lastig zoals je ziet, om erachter te komen wie er ineens is verdwenen. Vaak is het ook een ‘tik’, duidelijk géén privé-tik, van Hyves. Gewoon een openlijke. Bij dertienhonderd en negenenvijftig vrienden is het al een stuk makkelijker om dit te achterhalen. Of…
 
Wat eraan ten grondslag ligt, is (me) niet altijd even duidelijk. Toch gebeurt het soms dat het aantal stijgt, maar vaker: dáált. Aan het begin van enig jaar wil men de ‘vriendenlijst’ wel eens doorlopen om door te lichten met wie er nog wel danwel niet ge-Hyved blijft worden. Laatst had ik hierover nog een ‘grappige botsing’. Over vriendenaantallen.
 
Tuurlijk. Okay. Ik had ook een andere botsing. Maar die had ik al beschreven. Tuurlijk. Okay. Afgelopen zaterdag had ik alweer een nieuwe botsing. Bij de eerste was ik niet betrokken. De eerste was namelijk die tussen de Quad en de rubberen banden langs het parcours. Dat ik op die Quad zat, was daarbij een detail. De tweede botsing was die tussen mijn onderarmen en een stukje asfalt, rubberen banden en een strookje gras. Hoe kon ik zo stom zijn om te denken dat de rubberen handvaten, nádat ik was gevallen, als een speer werden vastgeplakt? Ik was dat gewoon vergeten. Na een oproep van de begeleidster van dat onderdeel? Dat ‘onze handvaten aan het loslaten waren’? Ik had niet meer dan vijf rondjes mogen rijden, dat kon ook een reden zijn. Was ik het niet geweest, dan was het iemand anders geweest. Maar dan tijdens zijn derde rondje. Of ben ik ’vastgelijmde handvaten’-verwijderaar extraordinaire? Zó sterk ben ik nou ook weer niet. Het is één van de twee.
 
Nou moet ik niet liegen: één ervan liet los. De rechter. Dus ik had best met één hand kunnen sturen zou je zeggen. Wel eens op een Quad gereden? En die met één hand heuvelaf soepeltjes de bocht door willen sturen? Als dat zo is, dan vind ik je echt goed. En wat je vindt, mag je houden, dus ik hou dit lekker zelf. Leuk voor me, heeerlijkkk voor me. Alsof het jou interesseert wat ik vind… toch?
Tijdens mijn kortstondige ‘air-time’-imitatie van Michael Jordan’s ziekelijke achterneefje -want: er was geen basket, laat staan bal, laat al helemaal in de kou staan basketbal- moet ik dat handvat even in mijn handen hebben gehad. Hoe is het anders te verklaren dat dat ding later naast een wiel van de Quad lag.. Trok ik het er misschien af nadat de Quad me boos van zich af had geslingerd? Zou ook kunnen. Zou niet mógen kunnen. Indien dit het geval is. Nu even een gipsperiode: linkeronderarm in het gips, gebroken beentje van ‘t middenhandsgebied tussen de duim en de wijsvinger. Vervolg hierop komt deze week in het ziekenhuis, maar daar ga ik niet over vertellen. Dat vervolg is voor mezelf. Evenals alles wat erbij komt kijken.
 
Want ik wilde hier eigenlijk helemaal niet meer over vertellen. Maar ik kon het niet laten. Want ik had het na dit meest recente akkefietje helemaal gehad met mensen, vooral de denkwijze van sommigen. Vooral het ontbreken ervan. Wat leuk, wat grappig… oh, kijk, hij lacht zelf ook. Doorgaan! Laat ik het anders zeggen. Een ieder bepaalt zijn grens… zélf. En daarmee ben ik eigenlijk al klaar. En ik bén er ook een beetje klaar mee. Mocht het niet duidelijk zijn: iedereen heeft zijn omslagpunt. Zijn moment van gekte. Dat de stoppen doorslaan. Ik kreeg het bijna. Was een kwestie van ‘nog even’. Ike (van Tina) had er érg vaak last van. Hij had een band moeten oprichten: Ike en de Omslagpunten. Dan zou het beter gaan met hem. Of juist niet. Of met Tina. Maar dat terzijde.
Wat iemand ook meemaakt, fysiek of emotioneel, ga niet meteen als dokter Snuggles of psycholoog Shrink verkondigen dat het ‘maar….’ is. Dat er veel ergere dingen op de wereld zijn. Dat je nog leeft, gelukkig. Gelukkig? Als ik zo gelukkig was volgens jou, was ik doof geweest. Want dan had ik je dit niet horen zeggen. Gelukkig? Dan had je misschien iets gezegd waar ik wél wat mee kon. Met dit dus niet. Ik bepaal zelf wat ik bepaal. Daar ben ik niet voor niets al die jaren ‘ik’ voor aan het worden.
 
Om dus terug te komen op waar ik over begon: iemand vond het nodig om mij te verwijderen als vriend. Met diegene had ik laatst dus een grappige digitale botsing. Het was druk op Hyves of zoiets dergelijks, afijn, whatever. Ik ken hem in het werkelijke ménselijke leven, dus ja, of hij nou wel of niet ‘terugkomt’, ik zal geen blokje omgaan als ik hem tegenkom. Wel twéé blokjes. ach kijk, ik ken hem lang genoeg en we zullen erom lachen, of niet, maar dan drinken we in ieder geval een biertje met elkaar. Of niet? Tssss…..
Ook was er iemand die het nodig vond om mij te verwijderen als ‘vriend’. Die persoon heb ik één keer in mijn leven gezien. Dit jaar 2008 was er nul contact via Hyves, MSN, duivenpost, NIETS. En als ik weet wat ik heb gedaan om ineens de boycot te krijgen, geen idee. Op een gegeven moment wen je eraan. Een silent Hyver of zoiets dergelijks. Ik val je na twee tot drie normale vragen van mijn kant niet meer lastig en ‘gedoog’ je. We wonen nog altijd in Nederland.
Een tijdje geleden kwam ik in (digitaal) contact met iemand. Voor de duidelijkheid: het gaat hier om twee vrouwen. Ik wist van de ene niet direct dat ze de andere kende. Die andere, die ik dus één keer in levenden lijve heb ontmoet, was de silent Hyver. De ‘gedoogde’. Het beleid werkte, dus ik veranderde er niets aan. En anders zou het me ook niet meer interesseren. Wanneer het NIET werkte. De ene bleef onophoudelijk vragen stellen over de andere in eerste instantie. De ’ik-wééééét-niet’s en ‘gééééén idee’s vlogen uit mijn vingertoppen.
Wat gebeurt er: er is een vervelende situatie ontstaan tussen die twee. Het onderwerp laat ik in het midden. Want ik begreep het niet helemaal. Kon het me eigenlijk niet voorstellen zeg maar. Ik als leek die niet bekend is met allerlei backstab-activiteiten links en rechts. Moet er niets van hebben, uiteindelijk geef je jezelf die hoofdpijn. Ik veroorzaak ze ook niet, geen tijd voor. Geen zin in ook. Nigga please. Bitch please.
 
Ik werd er bijna helemaal over ingelicht van één kant, echter heb ik toen de stekker eruit getrokken. Ik heb niets met je en zoek niets met je. Met geen van twee. Dus maak me niet -ongevraagd- deelgenoot van je ‘bestaan’. Het is mijn ding niet. Ik kén jullie niet. We Hyv(d)en, we mailen, that’s it. That sjiT. Los jullie ding op. Jullie. Niet wij. Jullie zelf.
Sorry dat ik dit volgende nu moet melden, maar: let op, nu gaat het snel. Een toevoeging op mijn Hyves van de ene, heeft geleid tot een ‘vertrek’ van de andere. Als was TiTa-Tovenaar back in business. Donderslag. Bij toverslag. Toverslag. Bij Donderslag. Bij heldere hemel. Toeval bestaat niet. Voor diegenen voor wie het te snel ging, een toelichting.
Het bewijs is geleverd: er is dus wel dégelijk een Matrix, een Virtual Reality. Volgens mij is het daar heel eng. Eigenlijk, of éérlijk: ik wíl het helemaal niet weten. Michael Jackson’s muziek is dus echt tijdloos: ‘Beat it‘ en het einde van ‘Why you wanna trip on me‘, het ‘stop trippin-trippin-trippin-trippin-trippin-trippin‘, hoor ik honderdduizend keer achter elkaar.
 
Er zal vast wel iemand zijn die dit leest en denkt: hey, je kan dit tikken, dan kun je ook werken. Als ik putjesschepper was geweest, niet. Scheppen kan denk ik alleen met twee handen. Ik kan wel tikken op een toetsenbord. Speel inmiddels de beat van… nee, tikken gaat best, het kost alleen wat moeite. Met mijn linkerduim tikken gaat wel sneller, alleen tik ik dan een stuk of drie letters die om de letter heen zitten die ik juist nodig heb. Dat verwijderen kost weer tijd dus… fijn dat gips.
Bovendien: als je een idee krijgt van wanneer ik ben begonnen met dit stukje, zou je begrijpen dat dit stuk tikken en werken, twee totáál verschillende dingen zijn.
 
En als je hier wat anders van vindt, wel, dan heb ik geleerd: mag je dat houden. Leuk voor je, heeerlijkkk voor je.
 
 
 
Alsof het mij………..
-# 2008
Een voorliefde voor mooie ogen. Voor mooie, volle lippen. Kale knarren willen soms ook in trek zijn. Meestal is dat dan een voorkeur die vrouwen hebben ten opzichte van mannen. Sommige mensen hebben gewoon ’schijt’ en willen alles wat beweegt. Ik vind, want ik schrijf dit, dat er iets bij moet zitten wat je hetzij leuk, hetzij lekker vindt. ‘It’s the inside that counts’ is een mooi voorbeeld van een leugen die wereldwijd verspreid wordt. Er zit een waarheid in, maar natuurlijk. Gelukkig maar. DAT er een inside ís. Toch zul je eerst op enigerlei wijze getriggerd moeten worden door iemand’s uiterlijk. Voordat je ook maar één woord zegt. Klaar als een klont.
 
Iedereen heeft zo zijn voorkeur zoals ik hierboven heb gemeld. Twee mannen kunnen tegelijk iets zien, waarna beiden spontaan beginnen te huilen. De ene vanwege de pijn aan zijn ogen. De onherstelbare emotionele schade. Het onbegrip, gefronste wenkbrauwen. De ander echter van geluk. Het bekijkend als was het een kunstwerk. Schitterend. Tranen met tuiten welteverstaan, want zij tuitte haar lippen, dus kon hij niet achterblijven. Daarna volgt een discussie die voor normale mensen -lees: vrouwen- niet direct te volgen is. Een willekeurige man die je niet ééns hoeft te kennen, kan één seconde lang bij die twee mannen komen staan en direct focussen waar het over gaat. Jjjjja. De ene beschuldigt de ander van blindheid, domheid, gekheid. De ander beschuldigt de ene van hetzelfde. Men komt er niet uit. Misschien zit die ‘beauty’ dan toch verankerd in de ogen van de ‘beholder’…
 
Dit hier is de reden dat ik vaak last heb van mijn nek. Mijn trigger-issue is ‘de vrouwenbil’. Wijs me er eentje aan en ik zal met je meekijken. Ik ben de beroerdste niet. Wil je dat ik er mijn mening over geef, dan zal ik die geven. Hey, het is een dirty job, maar iemand moet zich opofferen in deze maatschappij. Het bewieroken van een willekeurige ‘vrouwenbil’ is bijna mijn tweede natuur. Sterker, soms mijn eerste. Het verschil? Als je er géén ziet, dan is het je tweede natuur. Zie je er (minimaal) één, dan is het je eerste. Kristalhelder. Kleine nuance: zie je er géén, kun je door middel van je mannelijke visualisering(s)kracht er zolang over praten, dat het toch weer je eerste natuur wordt. Geloof me: nog steeds kristalhelder.
Menigmaal heb ik verkondigd dat ik er een boek over zou kunnen schrijven. Zou ik bezig geweest zijn met een boek, dan was dit de uitgebreide proloog. Echter met een geheel nieuwe toevoeging: een totaal géén verband met het verhaal houdende epiloog.
 
EPILOOG
 
Toen ik mijn straat uitreed, zag ik een vrouw lopen met een mooie billen. Navraag leerde dat het haar eigen billen waren gelukkig. Ze ‘droeg’ haar billen met trots. Van links naar rechts. Zulke mooie billen. Twee simpele drukken op mijn toeter deden ze weer terugdeinen. Van rechts naar links dus, want ze liep ineens vreemd. Anyway, linksom of rechtsom, het bleef dezelfde ’set’ billen. Op weg naar de snelweg had ik inmiddels meerdere keren mijn hoofd geschud door al het moois wat er bij de vrouwenbillenbalie vandaan is gekomen. Op de snelweg dacht ik voor het eerst aan een bil toen ik mijn afslag miste. Mijn eigen bil. Het kleine druppeltje nervositeits-zweet dat bijna via mijn onderrug mijn bil ingleed. Ik pakte een afslag erna en dacht dat dit een duidelijk geval van ‘blaren’, ’zitten’, ‘branden’ en, jawel: ‘billen’ was.
 
Eenmaal in het kleine stadje, zag ik dat de plaatselijke vrouwenbillen gezegend waren door de zon. Het Lot had ervoor gezorgd dat mijn ogen voldoende bil-vitaminen zouden krijgen. Aangezien ik de weg niet kon vinden in big bil-city, kregen mijn ogen een vitamine-shot die zijn weerga niet kende. Na een half uur lang te hebben rondgereden, werd het tijd om mijn woordje ‘bilateraal’ toe te voegen aan deze zin.
 
Op de terugweg reed ik achter mijn directeur aan, maar ik zag zijn bil niet gelukkig. Ik zou die avond naar een concert gaan om mijn bil – deels, alleen rechts- te schudden en we hadden genoeg tijd. Op diezelfde terugweg kwam het echter tot een ‘gezicht-bil’-botsing. Mijn achterligger had het gemunt op mijn autokont. Dat werd vervolgens mijn réchterautokont. Kop-staart in de volksmond genoemd, maar de achterkant van een auto heet toch echt een kont. Bil dus nu. Er mist een stukje aan de rechterkontzijde van mijn auto. Wanneer ik die mooie autokont weer kan aanschouwen, is nog niet bekend. De andere heeft weinig aan de bilkant. Die heeft meer last van een voorbilontsteking. De linker voorbilzijde is ietwat gekortwiekt. Ongeveer hetzelfde als wat ik aan de autokont heb.
 
Enkele vragen die naar aanleiding van de afsluiting van mijn bilveldonderzoek zijn overgebleven:
Welke bil van welke vrouw heeft op de bril van de man van het bergingsbedrijf gezeten? Zodra dat bekend is, wil ik graag ook weten of het ene glas en het bijbehorende pootje daar zijn achtergebleven. Welke bil heeft een scheet geproduceerd die voor onherstelbare schade aan zijn spraakvermogen heeft gezorgd? Welke bil heeft de twee agenten zo lang opgehouden zodat die pas kwamen nadat ALLES al geregeld was? Hun eigen bil wellicht? Welke bil heeft ervoor gezorgd dat één van beiden aan mij vroeg of ik een gordel droeg? Welke bil zou denken dat ik zou zeggen: ‘eh.. nee?’ Welke bil heeft ervoor gezorgd dat ik bij het uitstappen uit de sleepwagen bijna iemand met die mega-deur van z’n fiets afsloeg? Welke bil heeft ervoor gezorgd dat de man van het bergingsbedrijf niet ter plekke een blaastest moest afleggen toen die twee agenten alsnog aan kwamen waaien? Welke bil heeft ervoor gezorgd dat -hoorde ik achteraf- twee voorbijrijdende blote billen gezichten het nodig vonden een foto te maken van de overblijfselen van de aanrijding?
 
Wacht op het billenboek, want het komt eraan. Of de billenalmanak. De billenmonologen, zo je wilt. Is het niet nu, dan is het later. Het archiefmateriaal in mijn geheugen is onuitputtelijk en, niet geheel onbelangrijk: onuitwisbaar.
 
EPILOOG OVERLOPENDE IN NAWOORD:
 
Ik zou bijna zeggen: je had erbij moeten zijn. Maar dat doe ik niet. Ik probeer het. Want eigenlijk was hetgeen gebeurd was helemaal niet grappig, maar door de mensen die erbij betrokken waren, was het voor mij een onvergetelijke ervaring. Het was voor beide betrokkenen de eerste aanrijding ooit. Degenen die erbij waren, waren gepokt en gemazeld in dit soort situaties. Alles was voor ons beiden nieuw en onbekend terrein. Tóch kreeg de man van het bergingsbedrijf, die ‘ze’ waarschijnlijk van Fantasy-Island vandaan hebben getoverd, het voor elkaar om ons te laten denken dat wíj de verzinsels waren. De gekken. Fantasy Island omdat je die man niet kon verzinnen. In geen enkel verhaal.
De eerste van de twee mooiste was een beetje in de stijl van dit verhaal. Memento. Of tutti-frutti. Hij had een papiertje voor zich en daar stonden allerlei getallen en letters op. Ik zag het en wenkte mijn mede-autoloze. Einstein had zich in zijn graf omgedraaid, want hij zou denken dat zijn evolutie-theorie was weersproken. Door notabene deze man. Wat bleek: die getallen en letters vormden kentekens. Van auto’s. Auto’s op deze planeet nog wel. Ik had mijn kenteken genoemd, ik wist het nog, want dat was een minuut ervóór. Ik keek en moet zeggen dat ik best een gevoel heb met getallen. Toch was het voor ons een raadsel hoe hij ze kon onderscheiden. Geen lijnen ertussen, alles letterlijk en figuurlijk door elkaar. Vooral de letters letterlijk. Voor dit verhaal was het onmogelijk om -istie weer- letterlijk op te noemen hoe hij de kentekens doorbelde aan zijn… ‘assistente/collega aan de andere kant van het bakkie’. Want hij belde niet, hij schreeuwde ze. ‘…Chaaarrr…lyyyy…’ Denk hierbij aan je dronken oom met een overslaande stem. Bij de derde ‘a’ en de tweede ‘y’. ..’Tannn…gggooowww..’ Nadruk op de tweede ‘w’. En dat duurde wel vijf tot tien minuten. Hij zei geen ‘Zulu’, maar wel ‘Papa’ en ‘Bravo’. Gelukkig vroeg ze niet of hij ‘Tannngggooowww’ even wilde spellen. Zaten we nu nóg in die wagen. ’..durie.. keeer….willemm… w….van… wilfred…isaaac.. i…leeee-jooo…leee-jooo..!!’ Blijkbaar is alles goed gegaan, want mijn gegevens zijn bekend bij ze. Mijn naam is vanaf nu bij Budget-lease ‘Meneer Savo’.
 
Eenmaal in het kantoortje aangekomen, moesten er nog wat papieren ingevuld worden door de man van het bergingsbedrijf. En blijkbaar met onze hulp, want onze legitimatie-papieren overhandigen was niet voldoende. Mijn tienmalig meegewassen, op IKEA-achtig materiaal gelijkende rijbewijs, werd door de man die een één-potig-inclusief-één glas-inclusief-neusbruggetje-achtig apparaat een BRIL durfde te noemen, afgedaan als : ‘..Nou… ’s, ’s kijken offff we hier ietzzfan kunnnnnne mmmakeeuh….’ Ik zweer het je bij de goden van alle verkeersborden op aarde: alleen de -hips!- ontbrak. De andere had ook enkele aanvullende gegevens moeten leveren, maar wederom: voor ons was het nieuw. Wij reageerden op zijn vragen en opmerkingen. En die kwamen, raar maar waar, steevast uit de lucht vallen. De man vroeg en vroeg en ineens was hij stil. Hij schreef, zo goed en zo kwaad als dat ging en wij keken elkaar aan. Vragend. Lach inhoudend. Hard glimlachend als het ware. Het principe is misschien nieuw voor je, maar het werkt. Kijk wel uit dat je geen drinken in je mond hebt. Anders komt het uit je oren. Neus en mond wil ook wel eens gebeuren, maar dan ben je al een stapje verder dan glimlachen. Tien seconden wachtte hij en hij vroeg aan de man, zijn ogen zoekend: ‘……eh, was dat het of..?’  En de man reageerde tergend langzaam: ‘….hhhaad je nog…. mmmmeeeerrtan..?’ Hij weer: ‘Ja nou, ik weet niet?’, met de intentie te zeggen dat dat afhankelijk was van de eventuele vragen die nog gesteld zouden kunnen worden. De man diende hem van repliek en daarbij ook mij, want ik was er toch: ‘…. nnnnou dan…’ en hij schreef verder. Vanaf dat moment konden ze ons letterlijk wegdragen. Maar ja, dan was de kans groot dat hij opgeroepen zou worden om ons weg te slepen omdat hij tóch ‘in de buurt was’, dus dat ging mooi niet door.
 
Sja. Ik zei het toch. En nu zeg ik het alsnog, tegen beter weten in EN net als twee anderen mij binnenkort zullen vertellen over het door mij gemiste Jay-Z concert van diezelfde avond:
 
 
Je had erbij moeten zijn.

-# 2008