Huishoudelijke tip vooraf: voor het geval je er ooit heengaat en je denkt dat een leuke witte outfit wel tof zal zijn: bespaar je de moeite. Je hebt een jaar de tijd vanaf nu om iets te fixen. Je kunt het allicht proberen met een outfit van huishoudfolie (kijk voor aanbiedingen op www.watdefoele-folie.nl).

Voordat we bij de mega-verzamelplaats waren, nog ín de enórme ingang met dito-garderobe, meende ik te constateren dat daar jackpots werden verdeeld. Je begrijpt het niet, maar als je het hoorde, zou je het direct begrijpen. Mensen begonnen te schreeuwen. Te gillen. Oerkreten. Ik was erop voorbereid. Maar toch. En dat allemaal onder de noemer ‘we zijn BINNEN!’ Gekken. Voorzichtig twijfelde ik, maar ik hield me in en schreeuwde niet. Lost minds. Have they lost their minds?! Dat dacht ik. Dus deed ik het niet. Alsof ik de jackpot…

Vanaf het moment dat ik mijn huis verliet, was er een drama in wording aan de gang aan het zijn. Want het voltrok zich bijna. In een nooit eerder gezien visioen werd me voorgespiegeld dat er een nog nooit vertoonde glorieuze Surinaamse entree in de bus zou gaan volgen. Want tot dertien minuten, ja 13 ja, mijn klok en ik waren één, vóór vertrek van de Techno-bus, zaten we nog niet eens in de auto. Hoe we het ook hebben gedaan, ik dus in dit geval, om 18.01u waren we bij de bus. Blijdschap. Dat er twee auto’s op de parkeerplaats stonden met briefjes onder de voorruit waarin werd vermeld dat ‘ze’ de dader van hun kapotgeslagen zijruiten hadden opgepakt, ach. Geen haar op mijn hoofd die eraan dacht dat dat met de mijne ook zou kunnen gebeuren. Snelheid was geboden, want tijd is tijd.
Verbazingwekkender dan het feit dat de bus uiteindelijk vertrok om 18.45u, als het niet later was, was het feit dat dat kwam door iets wat je meegemaakt moet hebben om het te kunnen geloven. Twee medepassagiers die ik nog kon verstaan in de kakofonie van geluiden van verbazing, euforie zelfs en vooruit, nog een klein scheutje ongeloof, verwoordden het ongeveer als ‘nou, dat we dat toch eens mee mochten maken’. Want in een bus die qua bevolkingsgroep, in straattaal en ook met enig historisch besef het makkelijkst omschreven kon worden als ‘negers’, waren de laatste passagiers die binnenkwamen, Nederlanders. Ik doe het gewoon in kleine letters hoor. Het lettertype dat ik wilde gebruiken, ’megAstronomically big‘, bestond niet, dus doe ik het maar gewóón in kleine letters.

Vanaf dat moment was de allerlaatste twijfel verdwenen: dit moest een wreeddadige avond worden. Wreedaardig. Ernstig. Ongelooflijk. Want dat was dat bus-feitje al. De busreis was best lang, maar ergens was dat helemaal geen probleem, want iedereen had het naar z’n zin. Zelfs de muziek-installatie, want het leek wel alsof er af en toe overgeschakeld werd van heerlijk helder Techno met een hoofdletter ‘T’, de hoofdletter ‘T’ van Techno, naar een theekrans-muziekje. Dat werd meestal door hard geroep hersteld, alleen werden de theetijd-nummers wel helemaal uitgedraaid. Door Dj Loek/Look, de top-buschauffeur, niet de leeuw. Op de één of andere manier staat de zin ‘ik moet negen uur stilstaan‘ in mijn geheugen gegrift. Hij moest namelijk 9 uur stilstaan. Lost hours? Want dat moest hij. Negen uur stilstaan. In een hotel dan. Liggend stilstaan. Denk ik. Lost hours.

Vanaf de bus tot aan de ingang liep iedereen op een roze wolk. En schoenen. Het was druk. Was het druk? Nee, het was DDDRUK. De rij was zo groot en breed, dat je, als je normáál na zou denken, zou omdraaien en teruggaan. Maar waarheen? Loek/Look was al staand gaan liggen slapen. Dus gingen we maar. ……..as IFFFF…!!!! De rij was binnen no-time getackled, ondanks de fantastische uitvinding van de organisatie om hekken te plaatsen, die van toegangspoortjes waren voorzien waar gemiddelde lichtgewicht-modellen op de hedendaagse catwalk geen brood van lustten. Als het honden waren dan. Maar dat terzijde wederom. Stel je de multi-race-baan bij Schiphol voor, die opeens en ineens op spectaculaire en grootse, onaangekondigde wijze wordt gereduceerd tot 1 ultra-smalle rijbaan. Maar goed, ‘hey’, ‘motherfucker’ en ‘asshole’ waren woorden die hierbij een oplossing boden.

Uit alle windstreken kwamen de techno-liefhebbers naar Gent en dat was te merken. De gesprekken die ik tijdens die avond heb gevoerd in andere talen waren voornamelijk Frans, Engels en toch ook Nederlands. Koeterwaals kwam ter sprake wanneer mensen vervelend waren. Dan kwam mijn Franse arsenaal ‘un, deux, trois’, ‘petit pain’ en het onvermijdelijke ‘oui? NON?! Ah oui-oui!’ om de hoek. Aufgesodemitterrand. Al lachend rotten ze, verleden tijd van rotten, ook daadwerkelijk op. Om vervolgens in de tegenwoordige tijd van één I Love Techno-minuut láter, weer voor je te staan. Om nog een keer hetzelfde te horen. En weer te gaan lachen. Nou ja, dan ging ik ook maar weer lachen. Als diegene relaxed was, dan was ik ook relaxed. Dus iedereen was eigenlijk wel relaxed, op enkele na. Die waren het namelijk niet.

Het feest was waanzinnig. Waanzinnigheid ten top. Losgeslagen gekte. Maar dan op massale schaal. Een terroristische aanval van gekte.
Alle zalen hadden kleuren. Wel, ik zag ze wel, maar ik zag ze niet. Het eerste uur nog wel, daarna gewoon niet meer. Ik ging gewoon mee naar waar onze voeten ons brachten. Op het einde was dat letterlijk zo. Nadenken bij het lopen. Is dat een voorbode van ouderdom? Hm. De muziek en de sfeer waren, en dit doe ik in viervoudig onvervalst Zuid-Understatementarisch gesproken Understatement-dialect: ‘best leuk’, best interessant’, ‘wel aangenaam’ en ook nog een ‘vleugje goed’.

Vanaf minuut één tot einde feest, en dat was toch zéker negen tot tien uur later voor mij en mijn busgenoten, heb ik me vermaakt. En vooruit, genóten. Zo direct achter ‘busgenoten’, stond ‘genoten’ zo raar. Nu staat het er gelukkig nóg korter achter. En of de bus heeft genoten, weet ik niet eens, vandaar. Vraag maar aan de bus. Jawel. Jawel, yes you can. Wij met z’n allen hebben wel genoten. En iedereen die daar was. Ongetwijfeld. Ik kan hier gewoon niet alles vertellen van wat er daar is gebeurd. Want je moet er gewoon een keertje bij zijn.
Vooruit, in die mensenmassa kwam ik een oude voetbalvriend tegen die ik 100% zéker had verwacht daar. Kwam hem gewoon tegen. Tussen tienduizenden mensen. En direct weer lachen als apen. Ik had ook een aap op mijn shirt en voor enkelen was dat het sein om hooguit twee woorden te verrijken met een vraagteken en die combinatie vervolgens te kwalificeren als een vráág: ‘eh.. zelfportret?’ Schandelijk, vooral omdat het zeldzame uitschot waar ik nu over spreek, busgenoten waren. Negers dus. Schandelijk. En okay, er was wel een vierdubbel gevalletje ‘lost people’, die bij vertrek van de bus huiswaarts, ineens weer opdoken. Maar dat gebeurt. En ja, lost glasses, wat ik zelf op mijn geweten heb. Kan ook gebeuren. Ja, en het meisje dat mij vlak voor het einde in normaal verstaanbaar Nederlands kwam vragen of ik nog bonnetjes voor haar had. Nadat ik op dezelfde wijze had gecounterd met ‘sorry, nee, ze zijn op helaas..’, in woord en gebaar, een doeltreffender uitbeelding was onmogelijk en gratis schudde ik mijn hoofd nog, vroeg ze het in het Engels. Zelfde vraag. ‘Do you have…’ Snelst vertaalde déjà vu die ik ooit heb.. gezien natuurlijk. Ik keek haar aan en hield haar blik denkbeeldig, maar wel daadkrachtig, zonder die specifieke daad, vast terwijl ik ieder woord uitschreeuwde. En toen verstond ze me ineens wel. En kreeg ik die blik alsof ik de gek was. Alsof ze me wilde tricken met het traditionele tijdsverschil met de UK. ‘Oh but yesss, now I suddenly have ineens en opeens muntjes for you…’ Stupid b****, LISTEN. Stomme t***. Hier. Déjà vu, back at you. In alle talen. En natuurlijk het gegeven dat vrij veel mensen op zoek waren naar geld. Op de vloer. Als er gestopt werd met bewegen, zocht iedereen naar geld. Of waren het toch ouderdomskwalen, zelfs bij jongeren, die kwamen bovendrijven. Volleerde fitnesslessen werden gegeven, benen werden gestrekt, ruggen werden gemasseerd. Sommigen gingen voorover bukken in een poging om de rug even te ontlasten en met pijn vertrokken gezichten naar de vloer kijken. Ja. Op zoek naar geld. En natuurlijk the lost boys. Die jongens, die Nederlanders, die te láát waren in de bus, op de heenweg. Wéér zeg ik het en nog stééds in kleine letters. Maar toch wel wéér. Die Nederlanders. Altijd hetzelfde met ze. Altijd al eens willen zeggen. Maar dat terzijde.

Huishoudelijke tip achteraf: houd je van Techno, ga. Houd je van techno, ga. Houd je van een feest met een zéér-zéér-zéér gezellige sfeer, en dat zeg ik om niet het woord ‘super’ te hoeven gebruiken, ga. Houd je van losgaan zoals het woord is bedoeld, ga. Lose your mind. Er ligt een wetsvoorstel op tafel om in de Dikke Van Dale náást het woord ‘losgaan’ het logo van I Love Techno te plakken.

Ik heb mezelf alvast één ding beloofd. Voor álles wat ik daar in de editie van 2008 heb gezien, gehoord en belééfd, voor Loek/Look, buschauffeur, stilstaner én techno- & thee-DJ maar zéker ook voor die drie jonge meiden, those sadly lost souls, schreeuw ik volgend jaar de longen uit m’n lijf als ik de ingang heb bereikt. Want dan is het, en nú begrijp ik het pas…

Jackpot!

-# 2008

Ik heb het hier niet over een oom die liedjes maakte. Hier kom ik later op terug. Niet op hem, maar op dit feit. Nee, ik heb het hier over de oom die ons gewoon bier liet drinken. Nou, okay, niet écht over hem. Zijdelings. Eigenlijk mocht het niet, dat drinken, maar we deden het toch. Van hem mocht het, dat was het probleem niet. Het thuisfront. Dat had hele andere gedachten. Maar het was best lekker. Alleen werd ik er een beetje duizelig van. Om het kort te houden zet ik dit ongedwongen neer als zijnde een korte inleiding, die werkelijk iets te maken heeft met dit stukje. Zag je het? Iets. Niet niets. Is dat dan ook iets? Hm. Dat leggen we even terzijde.

Dat brengt me meteen weer terug bij iets waar ik eigenlijk nog op terug moest komen. Dus dat doe ik hier, op deze plek. En ik heb het niet over ‘duizelig’. Ben jij het al? Goed. Ter aanvulling op mijn liedjesoom.
Ik was nog een kleine jongen. Onschuldig als het maar kan. Zeven jaar. Acht jaar. Ergens in het midden of er vlak naast. Door m’n brutaliteit, bijdehandheid, die zich toen dus ineens openbaarde, had ik wel eens Surinaamse woorden opgevangen om me heen. Ze ook herhaald, omdat je op die manier weet wat je zegt. Denk je. Ook denk je te weten dat je wel een woordje mee kunt praten. Denk je. Nog steeds. Dacht ik dat toen. Ik dacht toen nog stééds dat ik mee kon met de Surinaamse taal. Dacht ik.
Liedjesoom zat in een band en had een single uitgebracht. En het was echt een leuk liedje. Leuke beat, leuke tekst. Hoewel, leuke tekst. Veel later, dan bedoel ik toch zéker ongeveer om en nabij exact vijf jaar later, begreep ik de tekst pas. Het ging om een jeugdvriend Neetje, zo heette die jeugdvriend en ook meteen de titel van de plaat. Dit begreep ik eerst. Hij bezong de tijd dat hij nog jong was, vertelde over zijn buurt en die vriend was ouder dan hij. En alles wat die vriend deed, deed hij ook. Nou kan ik je met de grootste moeite, qua pijniging van mijn geheugen, niet vertellen wat ik zong vroeger. Ik kan je met geen pen beschrijven, zelfs geen toetsenbord kan me ertoe bewegen dit uit te leggen. Omdat ik dat écht niet meer wéét. Feit blijft, dat wat ik zong, niet in de verste verte werd begrepen door mijn, destijds, onbedorven brein. De werkelijke tekst van het refrein was ‘Neetje leer mi furu, Neetje leer mi smoko, Neetje leer mi seri marihuana’ (‘Neetje leerde me stelen, Neetje leerde me roken, Neetje leerde me hoe ik marihuana moest verkopen’).
En in mijn eigen Suri?nèks!-achtige taal zong ik het met mijn blije kind-gezicht en niemand zei er wat van, omdat ik het toch verkeerd zong. Dat was ook een remedie. Het mocht in ieder geval, het werd gedoogd. Mijn gebrabbel klonk toch nergens naar. Tenminste. Want wat mijn moeder dacht? Tja. Waarschijnlijjk toch wel twee woorden.

Die dag dat we met drinkoom de stad ingingen, was een enerverende avond. We waren inmiddels een stuk ouder, wel vijftien, zestien jaar en we roken al stiekempjes aan het nachtleven. Drukke bar opgezocht. De tweede, want de eerste mochten we niet in. Typisch. Toen al. Ja, omdat we zo jong waren. Ja. Jong en bruin. Als ik het over zwart heb dan. Maar dat terzijde. Biertje. Nog een biertje. Nog een biertje. Ik weet het niet meer. In die tijd was bier voor mij net als gif voor ‘de mens’, aangezien ik destijds superman was. Want ik was antirook en antidrank. Zie maar waar die instelling mij heeft gebracht. Voorlopig in ieder geval niet naar een instelling. En ik plaats er geen ‘nog’ tussen. Dat deed ik namelijk in de zin erná. Om het nog iets meer uit te lichten. Help. Hoor mijn schreeuw. Maar dat terzijde. (*)
We liepen de tent door. En nog maar eens. En leuk dat het was. Tegen het einde van de avond hadden we al zes laatste rondjes gelopen om oomlief te vinden. Zo zullen die vrouwen hem destijds wel hebben genoemd. Hij was erg vrijgevig met geld. Wat wij die avond ook overdreven vaak hebben gevraagd. Leer ons kennen. Hij nam óns toch mee? En het was deels ook zwijggeld natuurlijk. Oompie! Maar vanwege dé-dé-dé (weet je welke ‘dé’?) crisis is dat geld gevaporiseerd, dus het verhaal mag nu naar buiten. Hij gaf ons steeds candymoney om onzichtbaar te worden voor hem, terwijl hij verder kon spelen met Ms. Candy. Door gebruik te maken van onze jong- en oplettendheid, konden we onze oom lokaliseren. Frisheid waren we al voorbij. Nadat we hem hadden gevonden, liepen we de overvolle tent uit. Maar helaas. De enig mogelijke manier om dit te vertellen voor mij is door dit als een soort matrix-achtige scène tegen je aan te gooien.

Ik keek op en zag door mijn oplettendheid iemand mijn kant op lopen. Door de, in ieder geval bij mij afwezige frisheid en daarbij de drukte en de rokerige omgeving, zag ik niet wie. Ik keek weer op en de persoon in kwestie liep op me af. Ik zag schimmen, maar het werd iets duidelijker. Alleen het rare was en let op, hier begint mijn eigen Matrix-invoeg-actie, want ziehier het ritsbord: als ik naar links bewoog en dat deed ik dan ook, ging die persoon naar diezelfde kant. Ik liet me niet uit het veld slaan, ik was toch nog zo jong, edoch enigszins aangeschoten, maar niet zo aangeschoten als aangeschoten wild, dat overkwam me pas járen later, tijdens mijn twintiger jaren. Niet te verwarren met dé twintiger jaren, dit voor de goede orde. En netheid.
Ik bewoog snel naar rechts voor de verandering en die vermaledijde kl…. deed… hetzelfde. Hetzelfde. Hij imiteerde mij. Hij irriteerde mij. Maar ergens intrigeerde hij mij ook. Maar sorry, het is geen intrige. Want gecombineerd met het feit dat deze scène een voorbode is geweest van het feit dat ik tegenwoordig al ruim 15 jaar lenzen draag, vertel ik je dat ik dáár, op die plek, geïntrigeerd was door één man. Één jongen. Klootzak. Ik stapte naar voren, keek naar zijn schoenen. Leken verrekt veel op de mijne. Bewogen weer precies dezelfde kant op als de mijne. Vuile… Ik was het hélemaal zat, was zwáár geïrriteerd en liep met mijn borst vooruit, klaar om te vechten, op tegen de borst van… mijn eigen spiegelbeeld.
Een spiegel. Drie seconden lang heeft het geduurd voordat ik doorhad dat ik naar mezelf zat te kijken voordat ik me in de drukte pijlsnel omdraaide, de tent verliet en buiten ging wachten op mijn neef en oom. Ik weet zeker dat er op aarde, maar dan toch zeker in Nederland, drie mensen zijn die dit live hebben gezien. Ik roep ze niet op, blijven jullie maar lekker slapen. Honden. Ik maak jullie niet wakker. Dan blijft het blaffen en al dan niet bijten ook mooi buiten dit verhaal. In mijn gedachten doemden met de snelheid van gouden sprinter Usain Bolt of een andere Jamaïcaanse sprinter en dan heb ik het niet over hun treinen, twee woorden op.

Ik denk dat mijn moeder met het liedje en ikzelf met het spiegel-incident hetzelfde hadden willen zeggen als wat ikzelf vanmiddag wéér heb gezegd, toen ik werkelijk bijna in shock verkeerde toen ondergetekende werd verteld dat een simpel pakje Marlboro van 4 euro naar 4,40 euro gaat, terwijl de inhoud tussendoor een tijd terug alweer van 20 naar 19 stuks is verlaagd, terwijl je ze daar bovenop niet eens mag roken in een openbare ruimte, maar ook dat maar weer terzijde, of ergens in een rookruimte voor mijn part. Ik denk dat de meeste supporters van Feyenoord, waaronder ik mijzelf trouwens ook schaar, zouden willen zeggen wat feitelijk al door de titel van één of andere onbekende plaat van Marvin Gaye, ‘Mercy, Mercy Me’, wat in dit geval dus werkelijk helemaal níets te maken heeft met ‘Sexual Healing’, wordt uitgedrukt. Ik denk dat de kapper van Geert W. hetzelfde zou zeggen, indien deze ontslagen zou worden, omdat er nu toch vrieskou aan zit te komen, waardoor zijn VW haarGolf VI® niet meer in shape gehouden hoeft te worden. Ik denk, nee, geloof niet, maar dénk dat de vele gelovigen in dit land hetzelfde zouden willen zeggen, nu godslastering is geschrapt uit het Wetboek, namelijk:

Wel gódverdomme.

-# 2008

(*) – ‘Help’, red.