Verplichte tiet

januari 22, 2009

‘Ben je nou helemáál bes…. HEY, uit met dat ding!!’

‘Mijn god. Mijn goede, goede god. Mijn Jezus. Bij de balharen van alle niet-geschoren katers op aarde. Bij de krijgers van Walhalla. Bij alle ontsnapte gekken in den lande. Heilige stront. Is dit.. normáál? Ko-leeer-te. Nnnnaaaaaa….. sjéézes. En… nee, oooo, naaaaa.’

Als mens komt het wel eens voor dat je televisie kijkt. Soms gluur ik, zoals in dit geval. Ik frutsel dit, maar houd toch in de gaten wat er gebeurt. Op de televisie. Maar toch niet echt heel erg aandachtig. Staat de televisie echter aan rond acht uur, dan is mijn aandacht toch ietwat.. méér richting televisie.. gericht, laat ik het zo noemen.
Het nieuws is hartstikke interessant. Maar daar heb ik het nu niet over. Ik denk dat ik inmiddels dusdanig ben geïnformeerd over de economische crisis, dat ik op dit moment overweeg de initialen van mijn doopnamen te vervangen door de letters R.T.L.Z. Dus dat geeft op z’n tijd wat ruimte voor vertier alhier. Maar dit natuurlijk volkomen terecht, jawel: terzijde.

Om acht uur komt er op Veronica een comedy-serie die ik helemaal niet grappig vind. Freddie. Met Freddie Prinze Jr. Ik ken hem ook niet/Ik ken hem niet/Ik vind hem ook leuk. Dat laatste is niet waar. Soms vind ik het leukste aan die serie dat ik soms in de linkerbovenhoek van mijn scherm het ‘mute’-tekentje zie. Maar dat is gekheid. Want ik lieg. Een beetje. Okay, ook niet waar. Nog immer zie ik zwart, dus dat betekent dat de leugen keihard is.
Want de zus van Freddie… mijn god. Mijn goede, goede god. Zie boven en het gaat meestal verder. Hadden ze aan mij gevraagd een titel te verzinnen, zou ik de serie gewoon ‘Tiet-el’ noemen. ‘Freddie’s Twinz’. ‘Freddie’s sister’s Twinz’. Senior. Maal twee, inpakken graag! Word het ooit een film, dan geef ik ze gratis ‘Titman: The Dark Nipple’, ‘Tits of the Ring’ en ‘Titformers, more tits meet the eye’. Schandalig. Ik weet niet eens hoe ze heet, maar ik zal er eens op letten. Natuurlijk.

Wanneer zij in beeld komt, kan heel de set in de brand vliegen, ik zou het niet opmerken. Er zou bij mij zelfs brand kunnen uitbreken en dan nóg zou ik tegen de brandweer zeggen: ‘…pijn..?! ..man, je staat in mijn bééld, SCHUIFFF..!!!..’ Zijn ze per ongeluk iets later dan half negen, ach ja, dan zou ik me sociaal gedragen.
Zij heeft de beschikking over een stel borsten.. laat ik proberen het uit te leggen. Als die borsten broodjes waren en de spreekwoordelijke, al-tijd broodjes weigerende honden lustten er geen brood van, wel, dan zou ik die honden keihard uitlachen. En als een idioot broodjes gaan eten. Om dit verhaal niet al te lang te maken: ik ben een heteroseksuele billenman. Dit woord komt door de spellingscontrole, zegt dat iets? Dit betekent overigens niet dat ik een grote ‘B’ op m’n borst heb en ’s nachts door de straten zwerf, op zoek naar billen. Ik heb er een sterke voorkeur.. náár. Vooral mijn ogen verraden dat aspect. Soms mijn nek, maar dat komt door obstakels. Mensen zogezegd, die in de weg lopen tijdens een verkenningstocht van mijn ogen.
Ik ben echter niet vies van een stel per ongeluk met de billen meegewaaide borsten. En goed, als die zus van Freddie dan in beeld komt, denk ik dat menig man daar toch plezier aan kán beleven. Ik bedenk me ineens dat ik dat wel degelijk óók zou kunnen. Yes, hell i can. Zo, dat ook weer gehad. Maar op welke manier dan ook. Heb je geen idee en wil je meer weten over wát je er nou allemaal mee zou kunnen doen, vraag het dan aan de eerste persoon, die je na dit gelezen te hebben, spreekt. Of groei nou gewoon eens een keertje op. Of verander nou gewoon eens je seksuele voorkeur. Of doe er gewoon maar iets mee. Draai ze er echter niet af. Schijnt niet leuk te zijn.

Het draait in ieder geval allemaal om een kok en die kok is Freddie. Hij heeft een side-kick en ach, ja, ach.. dus die zus woont bij hem én haar dochter én haar moeder en er is nog een ex van z’n overleden broer geloof ik in het hele verhaal. In werkelijk iedere aflevering krijgt ze het voor elkaar om met haar voorste gevel vele malen emotionele schade aan te richten. Stel dat ze tien scènes heeft. In de serie dan, de scènes in mijn hoofd gaan wederom de terzijde-hoek in. Dan zal ze in die tien scènes telkens weer iets dragen, wat niets aan de verbeelding overlaat. Niets? Behalve dan dat je verbeelding je aan de hand neemt en je gedurende dertig minuten meeneemt naar het Land van Tiet. Niets? Behalve dan dat het percentage wat je al ziet gedurende die scènes, des te meer reden geeft voor de legitieme vraag ‘En? Nou? Waar is de rest??’ Je vraagt niet veel. Een decolleté. Een d e c o l l e t é. É. ÉÉÉ. Umbrella. Ey. Je ziet al een hoop, dus zoveel vraag ik… of jij natuurlijk, laten we wel wezen, eigenlijk niet op dat moment. Toch? Toen zij haar contract ondertekende, kan het niet anders dan dat ze zwaar werd afgeleid door iemand. Waarschijnlijk had die iemand een penis van twee meter. Of het was zo, dat iemand ná haar ondertekening, het kopje ‘kleding’ in het contract, letterlijk heeft laten verdwijnen. Of het heeft ingekort. Of het te heet heeft gewassen. In ieder geval: alle credits aan de casting. Ik geloof niet dat iedere scène een dusdanige blootstelling van willens en wetens uitpuilende borsten noodzaakt. Maar hey, begrijp me niet verkeerd, ik klaag niet.

Wel over dit. Er is, voor zover bij mij bekend, één aflevering geweest, die ik nog heb gezien ook, waarin ze een trui droeg. Niet eens een normale trui. Nee. Stel je voor. Het was een fleece-jas-achtig ding. Er was helemaal niets te zien. Niets te wensen. Gelaten. Over. ‘Ben je nou helemáál bes…. HEY, uit met dat ding!!’ En werkelijk waar: vijf seconden later ging die trui uit, over haar hoofd en ik zag tot mijn grote verbazing…het aller-kortste en -strakste shirtje werkelijk, wat ik tot op dát moment van haar had gezien. Mijn god. Mijn goede, goede god. En zo verder. En Justice for all. En ‘amen’. En weer inpakken graag. Dus toch niet over dit. Dus ik klaag toch niet. Maar ik lul wel. Zeker over die tien scènes.

Want in de aflevering die ik vandaag heb gezien, was ze slechts in één enkele scène te zien. ÉÉN. Heilige stront.

En ik mompelde gewóón ‘amen’.

-# 2009

 

Stel je een zaterdagmiddag voor. Op dag ‘ooit’. Temperatuurtje van rond de 17/18 graden. Ongeveer één uur ’s middags. Oftewel: druk. Je wilt naar de supermarkt en zoekt een parkeerplek. Het is er vrij druk en een plek vinden is een ware hel. Terwijl je een straat inrijdt, zie je tijdens het rijden dat die kl…-straat vol staat met auto’s. Op het einde van dat niet echt lange straatje, wat overigens wél breed was, ligt een marktterrein met een weg erlangs waar meestal niet zoveel auto’s rijden. Wat ik nu doe, is ‘je’ veranderen in ‘ik’.

Door de breedte van de straat, kan ik aan het einde in één keer linksom draaien en na die twee tot drie seconden durende handeling weer verder jagen naar parkeergeluk. Van seconde één tot twee zie ik een politiewagen mijn kant op komen vanaf de weg langs het marktterrein. In seconde drie rijd ik in de tegenovergestelde richting terug uit het kl…-straatje. Want zo noem ik die straat.. vanaf die dag. Rechtsaf die kl…-straat uit, ben ik al aardig geïrriteerd wegens het niet kunnen vinden van een plek. Kijkend in mijn binnenspiegel zie ik diezelfde politiewagen. Nadat ik vervolgens linksaf ga, zie ik, nu benadruk ik het wel na twee keer niet, wéér die politiewagen, óók zijn knipperlicht ‘uitgooien’. Naar links. Idem dus als ik deed. Achteraf denk ik: had ik maar een steen, dan had ik hem voor ze uitgegooid, maar dat terzijde en, wederom, achteraf. Mijn zoektocht stopt op het moment dat ik voor de laatste keer naar rechts ga en een plekje vind, alwaar ik mijn auto, al fileparkerend indraai. Zaterdagmiddag één uur. 

Auto op slot, pasje mee en betalen bij de chipknip. Tijdens de penetratie van mijn pasje in de automaat, zie ik dat die politiewagen half naast de auto achter mij staat en half naast de auto dáár weer achter. Zucht. Voorbereid op dat wat komen gaat, haal ik mijn ticket uit de automaat en loop terug. Om daar verrast te worden door Jan zonder pet, inclusief twee kompanen. Jan zonder pet, degene die met zijn hoofd achter het stuur zat, loopt op me af met een boekje bij zich. Slaat het voorblad van zijn boekje om, zodat er een nieuw, leeg en onbeschreven bonnetje tevoorschijn komt. Zonder me ook maar een blik waardig te keuren, begint hij al lopend te schrijven. Hij begint zelfs te praten, kijkt me nog steeds niet aan. ‘U reed in een straat waar het eenrichtingsverkeer is en dat mag niet.’ Ik ging er vanuit dat hij bedoelde dat ik dus de verkeerde richting in reed in dat kl…-straatje, maar dat was tijdens die twee tot drie seconden durende draai. In dat kl…-straatje. Was ik achteruit gereden in dat kl…-straatje, dan hadden ze me daarop gepakt. ‘U reed achteruit in een straat waar u alleen maar vooruit mag rijden.’ Is mijn conclusie voorbarig? Ik denk het niet, want zijn twee kompanen zijn op die plek, net als ik, figuranten in de finest hour van Jan zonder pet. Ik zie ze beschaamd om zich heen kijken en krijg het vreemde idee dat ze… op mijn hand zijn. Kijkend naar mijn handen, zie ik echter niets. Door mijn met geen pen te beschrijven woede waren beide kompanen blijkbaar van mijn handen afgetrild. Ter illustratie voor Rotterdammers: De Meent op zaterdagmiddag één uur. Drukte. Kijkers. 

Terwijl hij voor me staat, spuugt zijn mobilofoon of hoe dat zwarte doosje ook heten mag, een melding ‘assistentie gevraagd, verdachte..’ En ik lul niet. Jan zonder pet luistert ernaar en draait doodleuk de volumeknop dicht. Kan ook zijn dat hij hem uit deed, maar dat wist ik niet. In ieder geval minder belangrijk dan mij, met z’n drieën nog wel, één bon overhandigen. ‘Even wachten nog’ komt in me op. Om me heen kijkend, zie ik echter in de verste nabijheid geen pizzascooter(s) voorbijrijden, dus wacht ik maar even tot mijn woede zakt. Jan zonder pet is nog immer niet uitgeschreven en wil ook nog mijn papieren zien. Even denk ik aan de snoeppapiertjes in mijn auto, maar nee, niet nog meer gelul met Jan. Ik doe overdreven mijn auto van het slot, pak al wat hij wil zien en gooi de deur dicht. Ik roep het één en ander, want de bon is reeds in het betaalstadium beland, niet terug te draaien en het interesseert me allemaal helemaal niets meer. Loop om de auto heen en open de achterklep. Trek m’n jas uit, althans wat er van over was want van woede was die inmiddels deels verbrand. Ik gooi mijn jas met veel misbaar in de achterbak en smíjt die klep werkelijk dicht. Houd je klep. Hier. Nogmaals: De Meent. Zaterdagmiddag één uur. Drukte. Kijkers. Spanning. De sensatie volgde spoedig. 

Ik steek demonstratief een sigaret op, leun tegen de achterkant van mijn auto en sta vol ingehouden woede, die inmiddels bijna is getransformeerd in berusting en zieke moordneigingen, te wachten tot Jan zonder pet eindelijk eens een keer dat kl…-bonnetje volgeschreven heeft. Mijn gezicht staat, ter illustratie van mijn frustratie, vanaf het teruglopen van de automaat naar mijn auto, een handgeschakelde bolide overigens, op onweer, terwijl er wel degelijk een voorzichtig zonnetje schijnt. Nadat ik ben bekomen van de eerste heetgebakerdheid door het niet meer dragen van de jas, maak ik vervolgens iets mee wat mij innerlijk verscheurt. In twee stuks. Een van het lachen, wild op de grond rollende en in zijn broek pissende Fabian, wat makkelijk opgevat had kunnen worden als ‘wildplassen’, en… een ontploffende Saro. De bijna wildplassende Fabian zoekt naar een BN’er die ongetwijfeld nu zijn gezichtsveld binnenloopt en zegt: ‘Trick or treat, u heeft tienduizend euro gewonnen met de Postcodeloterij’. Maar ‘Trick or Treat’ bestond toen nog niet, dus ik rolde niet. En ik had geen loten. Had ik ze gehad, zou ik die cheque terplekke verscheuren. Ik neem aan dat het een symbolische cheque is en dat ik het geld alsnog krijg…? Kom je met zo’n achterlijk grote cheque überhaupt een postkantoor of bankgebouw in? Maar. Uitgerolde Fabian dus. Het andere deel, de ontploffende Saro, moet werkelijk álle zeilen bijzetten om te achterhalen wat zich nu precies voor zijn ogen afspeelt. Aangezien ik niet kan zeilen, begrijp je dat dit helemaal misgaat. Sensatie. Voor de kijkers dan. Op de Meent. 

Voordat ik het wist, had kompaan één van duo ‘Co’ de politiebus precies één auto opgeschoven. Oftewel, half naast de auto achter mij en half naast de mijne. Ik was ingesloten. Althans, mijn auto. Als ik had willen wegrennen, had ik glansrijk gewonnen, weet ik gewoon, maar ik moest toch een keertje terug. En sowieso boodschappen doen. En waarschijnlijk zou ik volgens Jan een eenrichtingsstraat van de verkeerde kant in rennen, dus ik bleef maar staan. Kompaan één stapte uit, kwam erbij staan en inmiddels leek het alsof ik de heren persoonlijk kende en een praatje met ze stond te maken over het wel en wee van de maatschappij. We stonden gebroederlijk, met vieren, in een zéér compacte opstelling. Ik was de ene aanvaller, zij de drie verdedigers. En je zou zweren dat ze dachten dat ik Ronaldo was: nog kortere mandekking en ik kon meteen auditie doen voor Brokeback Mountain 2. Of waren we alle vier Piet, waarvan ik de zwarte versie kreeg toegeschoven? Met moeite hield ik de sigaret in mijn mond, want die viel van verbazing bijna op straat. Zelfs die sigaret was verbaasd. Dat me dat ook een boete zou opleveren, was me duidelijk, gezien de mij nog immer níet aankijkende Jan zonder pet, die nog immer met zijn boekje in de weer was en een seconde verwijderd was van het omslaan naar bonnetje twee. Die sigaret bleef helaas voor hem wél in mijn mondhoek hangen. 

Ik denk dat je met 40 jaar rijervaring nog niet kunt wat zij dachten dat ik zou kunnen doen, namelijk: uit het samenscholingsgroepje sprinten, mijn deur openen, in de auto springen, deur dichtslaan, auto starten, als een idioot uitparkeren en er met piepende banden vandoor gaan. Vooruit, gordel nog om. Stel je voor. Doe daar nog maar weer een schepje ‘De Meent op zaterdagmiddag’ bovenop, drie agenten tegen één neger, een sensatiebelust publiek waar een gemiddelde amateurclub aardig wat aan zou kunnen verdienen en, iets recenter, schaatsers die op een bankje zitten wat niet mag en daarvoor beboet worden tijdens deze financiële crisis PLUS het feit dat ik nog meer van dit soort grapjes heb meegemaakt en bovendien door opgewekte oerdriften als een ware McGyver van mijn boodschappenmandje bijna een moord- of doodslagwapen maakte en ik begin zo langzamerhand steeds beter te begrijpen dat de volgende term eigenlijk iets heel anders betekent dan dat je vanuit het Engels zou verwachten. Politieachtervolgingen?

 

Nee… politiebrutaliteit.

-# 2009

Een echte, fictieve steen

januari 5, 2009

Vraag je je af waar ik het vandaan heb, dan zal ik je dat bij deze, maar dan toch straks, uit de doeken doen. Het zat namelijk ingepakt in doeken, die steen, en ik heb het eruit gehaald. Nee, natuurlijk niet. Ook geen doekje. En ik wind er geen doekjes om: ik klaag er wel eens steen en been over, echter tot voor kort was er geen manier waarop ik dit moest benoemen. Zoals Jawat ooit eens repte over cirkels en één of andere hoek ‘in-een-vi-ci-eu-ze-cir-kel-heb-je.. geen-in-vals-hoek’ in één van zijn raps, liep ik steeds in hetzelfde rondje. Kon het niet pláátsen. Hoe doorbreek je dat? Je weet het, deed het, soms ietwat sneller, soms helemaal niet, soms direct. Maar hoe maak je het tastbaar? Pas geleden kwam een goede vriend van me echter met een suggestie.

Er is een steen op aarde die zo hard tegen je ‘innerlijke zelve’ aangeslagen kan worden, dat deze ervoor kan zorgen dat je bepaalde dingen gewoon.. doet. Ook zorgt die steen ervoor dat je bepaalde dingen.. níet meer doet. De steen waar ik het over heb, is eigenlijk gewoon een.. steen. De steen komt in vele vormen voor en is voor iedere situatie geschikt. Meestal heeft het te maken met timing. Het enige vervelende aan de steen is dat je op de één of andere manier je fantasie de vrije loop moet laten. Want iemand moet die steen dragen. En gebruiken. Om te slaan. Wanneer nodig. Aangezien ik het heb over een fictieve steen, daardoor niet minder écht, hoeft er geen énkel levend organisme, laat ik het zo noemen, ingeschakeld te worden. Dus ook geen aapje. Want dat werkt dus DUIDELIJK niet. Ik zal je straks vertellen waarom.

We waren net de twintig ingeduikeld en -gestruikeld en waren hevig onderhevig aan alcoholische versnaperingen. Bovendien vonden we het nog lekker ook, dus we maakten van de deugd een dolle vreugd. We waren op vakantie met zes man, vlakbij ‘the busiest sex-intersection of the universe’, (vooruitlopend op de release van de film Masters of the Universe®, ofwel.. He-Man®, wilde ik het zo doen, bij deze, red.) (red., je lult): Lloret. In het welbekende ‘Bumpers’, kreeg ik het voor elkaar om een leuk meisje af te wimpelen omdat ik, nou, misschien twéé seconden ervóór mijn zinnen had gezet op een ander meisje, waardoor mijn zin een bepaalde richting uitwees. Want wij waren toen ook nog jongens. Vandaar meisje. Maar dat terzijde. Maar ken je dat? Nee? Ik wel toen. Ik liep enigszins dronken naar dat meisje toe en volgens mij had ik gevraagd om met haar te dansen. Hier past alleen maar: gone with the wind, niets, nothing, nada, rien, Fanta zero, niente en geen éne reet. Ze disste me waar ik bijstond. ‘Waar ik bijstond’, nou ik overdrijf, just matter of speaking, want dat duurde net zo lang als dat ze me aankeek: een milliseconde. Weg. Ze liep gewoon weg. The Invisible Man was nog zichtbaarder dan de kuif van Wilders vergeleken met mijzelf. Ik zal je zelfs zeggen: Stevie Wonder zou zelfs nog meer van me zien als hij maar lang genoeg kijkt. Zij niet: weg. En hoewel we jongens waren, blijf ik een man, en tuurde vlug-ogig in dezelfde houding snel rond, maar dat eerste meisje: alláng weg. Ernstig. Ik draaide, met een bierflesje aan mijn lippen rechtsom om mijn as en keek in de rondte. Net op het moment dat ik enkel en alleen maar niet-kijkende, bezigheden hebbende, dronken gezichten had gezien, zag ik diezelfde vriend. Zitten. In een hoekje aan de bar. Als een dood vogeltje (wraak, red.) (red., laatste keer). Ik keek hem recht in z’n ogen aan en voelde zo ineens, nu achteraf kan ik het benoemen: die steen. Op mijn ‘innerljke zelve’. Dat is de steen voor dingen die je niet moet doen. Ik was niet alert en had het minder opzichtig moeten doen.

Het enige wat hij deed was in diezelfde houding zijn arm inclusief flesje optillen, als wilde hij met me proosten vanaf daar. Hij lachte erbij en het leek alsof mijn afwezige stenendrager/-slager voor hem een teken was om wakker te worden. Zijn vakantie was geslaagd. Ik zag het. Timing, want: tegelijk met de steenslag. Eerder heb ik gezegd dat hij het niet direct meer weet. Ik had het alleen maar over de steen. Dit incident staat buiten deze discussie. Dat lachje was er eentje in de trant van ‘voor zolang als je zult leven’. Het stenenverhaal is me nu helemaal duidelijk. Als kristal. Toen niet. Ik had een fictief mannetje moeten fantaseren. Als stenendrager/-slager. Dan had ik zo’n harde klap gehad.. natuurlijk op het moment dat het eerste meisje naar me toekwam. Dan was ik direct Yes-Man®. Vervolgens was ik met haar mee gevlucht om elkaar de hoeken van haar of hun of ons hotel of appartement te laten bestuderen. Binnenhuisarchitectuur.. mijn lust en mijn leven. Maar ik zei het al eerder en ik zeg het opnieuw: niets. Proost. De armbeweging alléén al, was genoeg. Welnu, tegenwoordig is het méér, ik maak het bekend: de armbeweging is mijn steen. Eventuele gevolgen van een afwezige stenendrager/-slager hebben zich toen en dáár voor het eerst op z’n lelijkst geopenbaard.

De kracht van de steen is mij niet bekend, maar er is één specifieke man op aarde die de gevolgen van die kracht nog dagelijks aan den lijve ondervindt. Want hij heeft niet geluisterd naar mij. ‘Geen énkel levend organisme’ zei ik. Ik denk namelijk dat Michael Jackson enkele decennia geleden een keer dúsdanig hard op zijn hoofd is geslagen met die steen, dat zijn afro en kleur er vanaf zijn gemept. Begrijp me niet verkeerd, maar dat is de realiteit. Dat zijn aangezicht enigszins geschonden is, weet iedereen, maar komt dat alleen maar door de kracht van de steen? Dat dat is gebeurd? Want na die éne, klaarblijkelijk fatále klap, heeft niemand, niks, zelfs geen levend organisme, bij geen énkele van de volop aanwezige gelegenheden de behoefte gehad om in te grijpen. En, sorry Michael, maar het waren er echt plenty. Dus is er iets misgegaan met zijn stenendrager/-slager. Ja. Met Bubbles dus. Bubbles de stenendrager/-slager.
Wat Bubbles de laatste vijf, zes, zeven, acht jaar aan het doen is, weten zelfs de apengoden niet, maar wèrken in ieder geval niet. Wat zij doen is één keer goed hard slaan, écht dus en vervolgens verdwijnt die specifieke steen. Die steen ligt ergens naast ‘timing’ en twee spelden, om het zoeken ietwat te vermakkelijken, in een hooiberg te liggen. Ik verdenk Bubbles er zelfs van dat hij een antibeweging op touw heeft gezet. ‘Wél levende organismen’ als stenendrager/-slager. Het schijnt namelijk, maar dat is slechts een gerucht, dat er nog een beroemdheid is ‘veroverd’ door die partij. En weet je wat ze doen, die Bubbles-klonen? Ze zorgen ervoor dat mensen gekke dingen gaan doen, al helemaal vreemde teksten gaan verkondigen en zich raar gaan gedragen door… simpelweg niet in te grijpen. Ze laten de mensen lijden door ze te laten leiden door invloeden van buitenaf. Drank, drugs, rock’n’roll, of reeds aanwezige gekte opvoeren tot 100% plus nog een emmer zand in de ogen van hun realiteitsbesef door die steenslag en de aan is boot, samen zonder de rape garen en de geperen bakken: iedereen is in de war. Dat komt door die klap die ze éénmalig geven, met een luizenleventje voor Bubbles & Co tot gevolg.

Ik verklap het, van die beroemdheid, als je belooft het niet verder te vertellen. Ach, eigenlijk maakt het niet uit welke van de twee, zijn achternaam is in ieder geval Simpson. En het is niet Bart. En ik bedoel niet Bart de Graaff. Maar dat is wel een voorbeeld, mocht je het je nog niet kunnen visualiseren. Lang geleden was hij een aapje en gooide hij met échte stenen. Tegenwoordig slaat ‘zijn’ zender om de zoveel tijd met stenen in de rondte op ‘innerlijke zelven’ van velen. En dat vind ik wel belangrijk. De ‘velen’ vind ik belangrijker dan de politiek. Maar de politieke discussie die voorafging aan de uitzending van de gewraakte uitzending van de donorepisode, geeft aan dat de fictieve stenendragers/-slagers daar niet actief zijn. En ernstig inactief en op non-actief bovendien.
Toen een dag later de microfoons letterlijk schrééuwden om nieuwe politieke teksten, werd duidelijk dat de avond ná de uitzending, een afvaardiging van de vliegende Bubbles-brigade bij heel politiek Den Haag aan huis is geweest. Met de éénmalige klap-stenen. De aan was boot.

Zie M. Jackson, zie H. Simpson, zie O.J. Simpson. En R. Kelly is helaas bezig aan te haken.

-# 2009