Visleer

juli 15, 2009

‘Maak je niet druk.’ Als ‘gezegden’ werpsterren zouden zijn geweest, dan zouden er óf heel veel mensen méér dood zijn dan dat er nu op aarde leven óf een ieder liep de gehele dag met bebloede kleren rond.

De kern van gezegden is vaak wel waar, daar ga ik geen discussie over aan. Met niemand. Ik ben Gekke Henkie niet. Alleen is de uitkomst van ‘gezegden werpen’, de zogeheten ‘werpstertactiek’, vaker negatief dan positief. Denk hierbij aan het ‘bloedend rondlopen’-gedeelte. En dan weet je dus meteen wie er dan wél bloedend rondloopt: niet de werper. De goede bedoeling is soms wel dáár, oftewel positief bedoeld, maar soms ook niet. Want té vaak wordt deze tactiek gebruikt om ergens vanaf te zijn. Van moeilijke vragen bijvoorbeeld. Of van een te lang verhaal. Of van eventueel aanwezige empathie bij de werper.

Als single hoorde ik bijvoorbeeld vaak ‘er zijn genoeg vissen in de zee’. Aangezien ik in mijn leven slechts één keer heb gevist, ging ik er vanuit dat men het niet zei vanwege een nieuw op te pakken hobby, mijnerzijds. Op de momenten dat ik dat hoorde, had het op mij dezelfde uitwerking als een mug vlak bij m’n oor. Meppen. Maar op een gegeven moment was het zelfs niet meer noodzakelijk om te meppen. Want de kern van het gezegde ketste af op mijn huid. Ik wist het wel, de kern, de goede bedoeling, alleen vroeg ik me per keer wel steeds af: waarom zeg je dat? Ik had op geen enkele van die momenten gevraagd naar de huidige visstand. Dat kon het niet geweest zijn. Wat was het dan wel, wat die mensen ertoe dreef om toch maar te blijven melden dat het een goed moment was om te gaan vissen?

Ik denk dat het beter zou zijn wanneer die werpstermensen zouden praten over een hengel. Een hengel? Ja, een hengel. ‘Give a man a fish and you feed him for a day – teach a man to fish and you feed him for a lifetime’. Er zijn genoeg vissen in de zee. Dat weten we. Danwel levend, danwel dood. Vissen blijven het. Maar geef een man dan een hengel. In plaats van alleen die werpster. Is te makkelijk. Of laat hem zien hoe hij een hengel bouwt. Of: koopt. Gooi dus eens wat interactie mee. Met die werpster. Dat maakt hem wat minder scherp. Of minder bot, het is maar hoe je het bekijkt.

Een paar weken terug had ik een gesprekje met een vriendin en een vriendin van haar. A en B voor nu. Het was een drieluik, maar nadat ik de naam van een vriend liet vallen, herkende B de achternaam. De voornaam van degene die zij kende, kende ik niet. Opgeteld bij die gemeenschappelijke achternaam tenminste. Ik zei dat ik hem lang niet had gezien, maar dat was niet de bedoeling van het gesprekje. Terwijl ik me wel afvroeg hoe het met hem zou gaan, kwamen we tot de conclusie dat ik die vriend van B niet kende. En die vriend, dat zal wel goed zijn, die kom ik wel weer eens tegen.

Afgelopen donderdag werd ik gebeld door een long-time friend. De mensen die je honderd jaar niet hoeft te spreken en waarmee je na één woord alweer op dezelfde lijn zit. Zonder onzin. Van koetjes en kalfjes liep het gesprek over in varkens en biggen. En of ik zondag iets te doen had. Vandaag dus. Een andere vriend was lang ziek geweest, had in het ziekenhuis gelegen en had hij het weekend ervoor telefonisch gesproken. Vandaar zijn telefoontje. Mijn schrik aan de telefoon stond in geen énkele vergelijking met de opengaande deur vanmiddag.

In de kamer zaten zeven mensen. Op twee kleintjes van 2 jaar en een 35-jarige na, was de rest 34. We waren op bezoek bij die vriend die ziek was geweest. En omdat ik het eerder al genoemd had, niet geheel toevallig: de vriend die ik tijdens het ‘drieluik’ had besproken. ‘Zal wel goed zijn, die kom ik wel weer eens tegen.’

Hij had een psychose gehad. Ik vind 34 best wel jong, daarom noemde ik de leeftijden. Hij had zich.. druk gemaakt om bepaalde zaken, privé en zakelijk. Met daarbij nog andere psychologische verschijnselen. Hij had zich uiteindelijk dúsdanig druk gemaakt, dat er een kortsluiting was ontstaan in zijn hersenen. Acht maanden heeft hij hierdoor in het ziekenhuis gelegen. Nu is hij thuis, ‘ik ga m’n derde maand in’, zei hij. In die afgelopen periode heeft hij dus ook helemaal geen contact gehad met een ieder van ons, want hij had andere dingen aan zijn hoofd. Gelijk heeft-ie.

Nadat we tijdens het onderonsje onze vragen op hem afvuurden, bleek dat we onderling best nog grapjes konden maken. Vele onderwerpen passeerden de revue: de crisis, ‘managers’, Amerika, vroegâh. Zelfs kinderen. Maar toen stond ik even aan de zijlijn om wat water te drinken. Michael Jackson kwam vanmiddag niet ter sprake.
Die vriend zit nu wel nog aan de medicatie en dat zal nog een tijd duren. Daarbij nog dagbehandeling, drie dagen in de week, waar wordt gewerkt aan herstel. Hij is wat kilo’s aangekomen, heeft een voller gezicht, is iets trager en heeft wat moeite met ‘dingen’ onthouden.

Nadat iemand had gevraagd hoeveel dagen hij nou op dagbehandeling moest, terwijl we dat vijf minuten daarvoor van hem hadden gehoord, bleek dat er dus meerderen waren die moeite hadden met zaken onthouden. Toen een ander het had over iets wat hij op Marktplaats te koop had gezet, vroeg ik of het die voetbalschoenen van hem waren, uit 1983. De twinkeling in zijn ogen bij het noemen van de naam ‘Superbimbo’. Die onzingrapjes waar de herstellende man ook om moest lachen en zelfs aan meedeed, doen mij niet denken aan de ’maak je niet druk’ die hij vast wel gehoord heeft op weg naar deze situatie of de ‘het komt wel goed’. Wie blijft er bloeden? Ze doen me denken:

Ik help je een hengel te bouwen en ondanks mijn geringe viservaring leer ik je dat stukje wat ik wél weet.

:-# 2009