Stel je een zaterdagmiddag voor. Op dag ‘ooit’. Temperatuurtje van rond de 17/18 graden. Ongeveer één uur ’s middags. Oftewel: druk. Je wilt naar de supermarkt en zoekt een parkeerplek. Het is er vrij druk en een plek vinden is een ware hel. Terwijl je een straat inrijdt, zie je tijdens het rijden dat die kl…-straat vol staat met auto’s. Op het einde van dat niet echt lange straatje, wat overigens wél breed was, ligt een marktterrein met een weg erlangs waar meestal niet zoveel auto’s rijden. Wat ik nu doe, is ‘je’ veranderen in ‘ik’.

Door de breedte van de straat, kan ik aan het einde in één keer linksom draaien en na die twee tot drie seconden durende handeling weer verder jagen naar parkeergeluk. Van seconde één tot twee zie ik een politiewagen mijn kant op komen vanaf de weg langs het marktterrein. In seconde drie rijd ik in de tegenovergestelde richting terug uit het kl…-straatje. Want zo noem ik die straat.. vanaf die dag. Rechtsaf die kl…-straat uit, ben ik al aardig geïrriteerd wegens het niet kunnen vinden van een plek. Kijkend in mijn binnenspiegel zie ik diezelfde politiewagen. Nadat ik vervolgens linksaf ga, zie ik, nu benadruk ik het wel na twee keer niet, wéér die politiewagen, óók zijn knipperlicht ‘uitgooien’. Naar links. Idem dus als ik deed. Achteraf denk ik: had ik maar een steen, dan had ik hem voor ze uitgegooid, maar dat terzijde en, wederom, achteraf. Mijn zoektocht stopt op het moment dat ik voor de laatste keer naar rechts ga en een plekje vind, alwaar ik mijn auto, al fileparkerend indraai. Zaterdagmiddag één uur. 

Auto op slot, pasje mee en betalen bij de chipknip. Tijdens de penetratie van mijn pasje in de automaat, zie ik dat die politiewagen half naast de auto achter mij staat en half naast de auto dáár weer achter. Zucht. Voorbereid op dat wat komen gaat, haal ik mijn ticket uit de automaat en loop terug. Om daar verrast te worden door Jan zonder pet, inclusief twee kompanen. Jan zonder pet, degene die met zijn hoofd achter het stuur zat, loopt op me af met een boekje bij zich. Slaat het voorblad van zijn boekje om, zodat er een nieuw, leeg en onbeschreven bonnetje tevoorschijn komt. Zonder me ook maar een blik waardig te keuren, begint hij al lopend te schrijven. Hij begint zelfs te praten, kijkt me nog steeds niet aan. ‘U reed in een straat waar het eenrichtingsverkeer is en dat mag niet.’ Ik ging er vanuit dat hij bedoelde dat ik dus de verkeerde richting in reed in dat kl…-straatje, maar dat was tijdens die twee tot drie seconden durende draai. In dat kl…-straatje. Was ik achteruit gereden in dat kl…-straatje, dan hadden ze me daarop gepakt. ‘U reed achteruit in een straat waar u alleen maar vooruit mag rijden.’ Is mijn conclusie voorbarig? Ik denk het niet, want zijn twee kompanen zijn op die plek, net als ik, figuranten in de finest hour van Jan zonder pet. Ik zie ze beschaamd om zich heen kijken en krijg het vreemde idee dat ze… op mijn hand zijn. Kijkend naar mijn handen, zie ik echter niets. Door mijn met geen pen te beschrijven woede waren beide kompanen blijkbaar van mijn handen afgetrild. Ter illustratie voor Rotterdammers: De Meent op zaterdagmiddag één uur. Drukte. Kijkers. 

Terwijl hij voor me staat, spuugt zijn mobilofoon of hoe dat zwarte doosje ook heten mag, een melding ‘assistentie gevraagd, verdachte..’ En ik lul niet. Jan zonder pet luistert ernaar en draait doodleuk de volumeknop dicht. Kan ook zijn dat hij hem uit deed, maar dat wist ik niet. In ieder geval minder belangrijk dan mij, met z’n drieën nog wel, één bon overhandigen. ‘Even wachten nog’ komt in me op. Om me heen kijkend, zie ik echter in de verste nabijheid geen pizzascooter(s) voorbijrijden, dus wacht ik maar even tot mijn woede zakt. Jan zonder pet is nog immer niet uitgeschreven en wil ook nog mijn papieren zien. Even denk ik aan de snoeppapiertjes in mijn auto, maar nee, niet nog meer gelul met Jan. Ik doe overdreven mijn auto van het slot, pak al wat hij wil zien en gooi de deur dicht. Ik roep het één en ander, want de bon is reeds in het betaalstadium beland, niet terug te draaien en het interesseert me allemaal helemaal niets meer. Loop om de auto heen en open de achterklep. Trek m’n jas uit, althans wat er van over was want van woede was die inmiddels deels verbrand. Ik gooi mijn jas met veel misbaar in de achterbak en smíjt die klep werkelijk dicht. Houd je klep. Hier. Nogmaals: De Meent. Zaterdagmiddag één uur. Drukte. Kijkers. Spanning. De sensatie volgde spoedig. 

Ik steek demonstratief een sigaret op, leun tegen de achterkant van mijn auto en sta vol ingehouden woede, die inmiddels bijna is getransformeerd in berusting en zieke moordneigingen, te wachten tot Jan zonder pet eindelijk eens een keer dat kl…-bonnetje volgeschreven heeft. Mijn gezicht staat, ter illustratie van mijn frustratie, vanaf het teruglopen van de automaat naar mijn auto, een handgeschakelde bolide overigens, op onweer, terwijl er wel degelijk een voorzichtig zonnetje schijnt. Nadat ik ben bekomen van de eerste heetgebakerdheid door het niet meer dragen van de jas, maak ik vervolgens iets mee wat mij innerlijk verscheurt. In twee stuks. Een van het lachen, wild op de grond rollende en in zijn broek pissende Fabian, wat makkelijk opgevat had kunnen worden als ‘wildplassen’, en… een ontploffende Saro. De bijna wildplassende Fabian zoekt naar een BN’er die ongetwijfeld nu zijn gezichtsveld binnenloopt en zegt: ‘Trick or treat, u heeft tienduizend euro gewonnen met de Postcodeloterij’. Maar ‘Trick or Treat’ bestond toen nog niet, dus ik rolde niet. En ik had geen loten. Had ik ze gehad, zou ik die cheque terplekke verscheuren. Ik neem aan dat het een symbolische cheque is en dat ik het geld alsnog krijg…? Kom je met zo’n achterlijk grote cheque überhaupt een postkantoor of bankgebouw in? Maar. Uitgerolde Fabian dus. Het andere deel, de ontploffende Saro, moet werkelijk álle zeilen bijzetten om te achterhalen wat zich nu precies voor zijn ogen afspeelt. Aangezien ik niet kan zeilen, begrijp je dat dit helemaal misgaat. Sensatie. Voor de kijkers dan. Op de Meent. 

Voordat ik het wist, had kompaan één van duo ‘Co’ de politiebus precies één auto opgeschoven. Oftewel, half naast de auto achter mij en half naast de mijne. Ik was ingesloten. Althans, mijn auto. Als ik had willen wegrennen, had ik glansrijk gewonnen, weet ik gewoon, maar ik moest toch een keertje terug. En sowieso boodschappen doen. En waarschijnlijk zou ik volgens Jan een eenrichtingsstraat van de verkeerde kant in rennen, dus ik bleef maar staan. Kompaan één stapte uit, kwam erbij staan en inmiddels leek het alsof ik de heren persoonlijk kende en een praatje met ze stond te maken over het wel en wee van de maatschappij. We stonden gebroederlijk, met vieren, in een zéér compacte opstelling. Ik was de ene aanvaller, zij de drie verdedigers. En je zou zweren dat ze dachten dat ik Ronaldo was: nog kortere mandekking en ik kon meteen auditie doen voor Brokeback Mountain 2. Of waren we alle vier Piet, waarvan ik de zwarte versie kreeg toegeschoven? Met moeite hield ik de sigaret in mijn mond, want die viel van verbazing bijna op straat. Zelfs die sigaret was verbaasd. Dat me dat ook een boete zou opleveren, was me duidelijk, gezien de mij nog immer níet aankijkende Jan zonder pet, die nog immer met zijn boekje in de weer was en een seconde verwijderd was van het omslaan naar bonnetje twee. Die sigaret bleef helaas voor hem wél in mijn mondhoek hangen. 

Ik denk dat je met 40 jaar rijervaring nog niet kunt wat zij dachten dat ik zou kunnen doen, namelijk: uit het samenscholingsgroepje sprinten, mijn deur openen, in de auto springen, deur dichtslaan, auto starten, als een idioot uitparkeren en er met piepende banden vandoor gaan. Vooruit, gordel nog om. Stel je voor. Doe daar nog maar weer een schepje ‘De Meent op zaterdagmiddag’ bovenop, drie agenten tegen één neger, een sensatiebelust publiek waar een gemiddelde amateurclub aardig wat aan zou kunnen verdienen en, iets recenter, schaatsers die op een bankje zitten wat niet mag en daarvoor beboet worden tijdens deze financiële crisis PLUS het feit dat ik nog meer van dit soort grapjes heb meegemaakt en bovendien door opgewekte oerdriften als een ware McGyver van mijn boodschappenmandje bijna een moord- of doodslagwapen maakte en ik begin zo langzamerhand steeds beter te begrijpen dat de volgende term eigenlijk iets heel anders betekent dan dat je vanuit het Engels zou verwachten. Politieachtervolgingen?

 

Nee… politiebrutaliteit.

-# 2009