Psychologisch? Ja, voor een psycho
november 1, 2008
Dat brengt me meteen weer terug bij iets waar ik eigenlijk nog op terug moest komen. Dus dat doe ik hier, op deze plek. En ik heb het niet over ‘duizelig’. Ben jij het al? Goed. Ter aanvulling op mijn liedjesoom.
Ik was nog een kleine jongen. Onschuldig als het maar kan. Zeven jaar. Acht jaar. Ergens in het midden of er vlak naast. Door m’n brutaliteit, bijdehandheid, die zich toen dus ineens openbaarde, had ik wel eens Surinaamse woorden opgevangen om me heen. Ze ook herhaald, omdat je op die manier weet wat je zegt. Denk je. Ook denk je te weten dat je wel een woordje mee kunt praten. Denk je. Nog steeds. Dacht ik dat toen. Ik dacht toen nog stééds dat ik mee kon met de Surinaamse taal. Dacht ik.
Liedjesoom zat in een band en had een single uitgebracht. En het was echt een leuk liedje. Leuke beat, leuke tekst. Hoewel, leuke tekst. Veel later, dan bedoel ik toch zéker ongeveer om en nabij exact vijf jaar later, begreep ik de tekst pas. Het ging om een jeugdvriend Neetje, zo heette die jeugdvriend en ook meteen de titel van de plaat. Dit begreep ik eerst. Hij bezong de tijd dat hij nog jong was, vertelde over zijn buurt en die vriend was ouder dan hij. En alles wat die vriend deed, deed hij ook. Nou kan ik je met de grootste moeite, qua pijniging van mijn geheugen, niet vertellen wat ik zong vroeger. Ik kan je met geen pen beschrijven, zelfs geen toetsenbord kan me ertoe bewegen dit uit te leggen. Omdat ik dat écht niet meer wéét. Feit blijft, dat wat ik zong, niet in de verste verte werd begrepen door mijn, destijds, onbedorven brein. De werkelijke tekst van het refrein was ‘Neetje leer mi furu, Neetje leer mi smoko, Neetje leer mi seri marihuana’ (‘Neetje leerde me stelen, Neetje leerde me roken, Neetje leerde me hoe ik marihuana moest verkopen’).
En in mijn eigen Suri?nèks!-achtige taal zong ik het met mijn blije kind-gezicht en niemand zei er wat van, omdat ik het toch verkeerd zong. Dat was ook een remedie. Het mocht in ieder geval, het werd gedoogd. Mijn gebrabbel klonk toch nergens naar. Tenminste. Want wat mijn moeder dacht? Tja. Waarschijnlijjk toch wel twee woorden.
Die dag dat we met drinkoom de stad ingingen, was een enerverende avond. We waren inmiddels een stuk ouder, wel vijftien, zestien jaar en we roken al stiekempjes aan het nachtleven. Drukke bar opgezocht. De tweede, want de eerste mochten we niet in. Typisch. Toen al. Ja, omdat we zo jong waren. Ja. Jong en bruin. Als ik het over zwart heb dan. Maar dat terzijde. Biertje. Nog een biertje. Nog een biertje. Ik weet het niet meer. In die tijd was bier voor mij net als gif voor ‘de mens’, aangezien ik destijds superman was. Want ik was antirook en antidrank. Zie maar waar die instelling mij heeft gebracht. Voorlopig in ieder geval niet naar een instelling. En ik plaats er geen ‘nog’ tussen. Dat deed ik namelijk in de zin erná. Om het nog iets meer uit te lichten. Help. Hoor mijn schreeuw. Maar dat terzijde. (*)
We liepen de tent door. En nog maar eens. En leuk dat het was. Tegen het einde van de avond hadden we al zes laatste rondjes gelopen om oomlief te vinden. Zo zullen die vrouwen hem destijds wel hebben genoemd. Hij was erg vrijgevig met geld. Wat wij die avond ook overdreven vaak hebben gevraagd. Leer ons kennen. Hij nam óns toch mee? En het was deels ook zwijggeld natuurlijk. Oompie! Maar vanwege dé-dé-dé (weet je welke ‘dé’?) crisis is dat geld gevaporiseerd, dus het verhaal mag nu naar buiten. Hij gaf ons steeds candymoney om onzichtbaar te worden voor hem, terwijl hij verder kon spelen met Ms. Candy. Door gebruik te maken van onze jong- en oplettendheid, konden we onze oom lokaliseren. Frisheid waren we al voorbij. Nadat we hem hadden gevonden, liepen we de overvolle tent uit. Maar helaas. De enig mogelijke manier om dit te vertellen voor mij is door dit als een soort matrix-achtige scène tegen je aan te gooien.
Ik keek op en zag door mijn oplettendheid iemand mijn kant op lopen. Door de, in ieder geval bij mij afwezige frisheid en daarbij de drukte en de rokerige omgeving, zag ik niet wie. Ik keek weer op en de persoon in kwestie liep op me af. Ik zag schimmen, maar het werd iets duidelijker. Alleen het rare was en let op, hier begint mijn eigen Matrix-invoeg-actie, want ziehier het ritsbord: als ik naar links bewoog en dat deed ik dan ook, ging die persoon naar diezelfde kant. Ik liet me niet uit het veld slaan, ik was toch nog zo jong, edoch enigszins aangeschoten, maar niet zo aangeschoten als aangeschoten wild, dat overkwam me pas járen later, tijdens mijn twintiger jaren. Niet te verwarren met dé twintiger jaren, dit voor de goede orde. En netheid.
Ik bewoog snel naar rechts voor de verandering en die vermaledijde kl…. deed… hetzelfde. Hetzelfde. Hij imiteerde mij. Hij irriteerde mij. Maar ergens intrigeerde hij mij ook. Maar sorry, het is geen intrige. Want gecombineerd met het feit dat deze scène een voorbode is geweest van het feit dat ik tegenwoordig al ruim 15 jaar lenzen draag, vertel ik je dat ik dáár, op die plek, geïntrigeerd was door één man. Één jongen. Klootzak. Ik stapte naar voren, keek naar zijn schoenen. Leken verrekt veel op de mijne. Bewogen weer precies dezelfde kant op als de mijne. Vuile… Ik was het hélemaal zat, was zwáár geïrriteerd en liep met mijn borst vooruit, klaar om te vechten, op tegen de borst van… mijn eigen spiegelbeeld.
Een spiegel. Drie seconden lang heeft het geduurd voordat ik doorhad dat ik naar mezelf zat te kijken voordat ik me in de drukte pijlsnel omdraaide, de tent verliet en buiten ging wachten op mijn neef en oom. Ik weet zeker dat er op aarde, maar dan toch zeker in Nederland, drie mensen zijn die dit live hebben gezien. Ik roep ze niet op, blijven jullie maar lekker slapen. Honden. Ik maak jullie niet wakker. Dan blijft het blaffen en al dan niet bijten ook mooi buiten dit verhaal. In mijn gedachten doemden met de snelheid van gouden sprinter Usain Bolt of een andere Jamaïcaanse sprinter en dan heb ik het niet over hun treinen, twee woorden op.
Ik denk dat mijn moeder met het liedje en ikzelf met het spiegel-incident hetzelfde hadden willen zeggen als wat ikzelf vanmiddag wéér heb gezegd, toen ik werkelijk bijna in shock verkeerde toen ondergetekende werd verteld dat een simpel pakje Marlboro van 4 euro naar 4,40 euro gaat, terwijl de inhoud tussendoor een tijd terug alweer van 20 naar 19 stuks is verlaagd, terwijl je ze daar bovenop niet eens mag roken in een openbare ruimte, maar ook dat maar weer terzijde, of ergens in een rookruimte voor mijn part. Ik denk dat de meeste supporters van Feyenoord, waaronder ik mijzelf trouwens ook schaar, zouden willen zeggen wat feitelijk al door de titel van één of andere onbekende plaat van Marvin Gaye, ‘Mercy, Mercy Me’, wat in dit geval dus werkelijk helemaal níets te maken heeft met ‘Sexual Healing’, wordt uitgedrukt. Ik denk dat de kapper van Geert W. hetzelfde zou zeggen, indien deze ontslagen zou worden, omdat er nu toch vrieskou aan zit te komen, waardoor zijn VW haarGolf VI® niet meer in shape gehouden hoeft te worden. Ik denk, nee, geloof niet, maar dénk dat de vele gelovigen in dit land hetzelfde zouden willen zeggen, nu godslastering is geschrapt uit het Wetboek, namelijk:
Wel gódverdomme.
2008
(*) – ‘Help’, red.
Kill Bill for killing Offline
juni 19, 2008
Sommige dingen in het leven zijn vrij helder te noemen. Sommige dingen, je raadt het al: óók. Wat je nog niet wist: sommige dingen zijn vrij vaag. Niet helder. Dit begin zou je daar zomaar onder kunnen scharen. Dat zou jammer zijn, want vage zaken nemen geen keer.
Vooraleerst: mijn respect voor de mens én (ex-)voetballer Glenn Helder is te groot om hem hierin te betrekken. Voor het gemak wissel ik hem daarom in voor Jort Kelder. Want die is vaag. Maar Georgina zal zeggen: ‘hij is mijn held!’. Ik persoonlijk, vind Glenn meer held. Helder, zogezegd. Wie held is, werpe de eerste steen.
‘Bezet’ & ‘Aan De Telefoon’
Vroeger was ik klein. Nu ben ik groot. In de tussentijd zat een vrij groot aantal.. ‘verhelderende’ momenten. Zo zou je ze best kunnen noemen. Als kind zoek je graag ‘de grens’ op, want ja, je bent niet voor niets kind. Ouders zijn degenen die jou op de één of andere manier wijzen op het benaderen van die onzichtbare grens. Dat wijzen kan op verschillende manieren gebeuren. Op zich is dat niet erg. Het is de manier waaróp. Die doet het ‘m.
Het geeft een indicatie van de mate van verheldering. Begon de zin met (vertaling vanuit het Surinaams): ‘als ik mezelf niet bedenk dat ik een god heb, dan….’, dan kon je er vanuit gaan dat er een dolle bende aanstaande was vanaf dat moment. Dat wat er op de puntjes zou kunnen staan, is voor een ieder verschillend. Voor iedere Surinamer die de puntjes blindelings in zou kunnen vullen, zou dit midden in de nacht, in een nachtmerrie bijvoorbeeld, nog kunnen zorgen voor zweet. Let wel, langs de bilnaad.
‘Je hoofd-zijde (hersenpangebied) werkt niet goed hè??’ Je hoefde er trouwens niet op te rekenen dat ze gemaakt zouden worden door degene die dit zei. Leuk aanbod.. maar dit was niet direct de bedoeling van die woorden. ‘Jongen, ik ga je wijzen/leren straks, wacht maar’. Terwijl ze gewoon bleef zitten. De enige die na die demonstratie van púre macht en controle een krimp gaf, was dat mannetje wat achterop mijn onderbroek stond: Bert. Van Ernie. Onbeschofteling, zei hij tegen mij. Wat kon ik anders, die spanning moest eruit. Maar goed. Natuurlijk vlak ik good-old ‘……….’ niet uit. En wat hier staat is je náám. Zoals die alleen door je moeder of vader, of beiden in het aller-donkerste geval, uitgeroepen kan worden en dit allemaal, alleen díe dag, een spe-ciaaale aanbieding: inclusief twintig uitroeptekens. Maar dat natuurlijk weer gehéél ter zijde.
Het was duidelijk voor je. Je zag het en hoorde het, maar het belangrijkste van alles: je wist het. Helder.
‘Afwezig’, ‘Zo Terug’ en ‘Lunchpauze’
Welk één mooie, zonnige dag was dat. De dag der dagen. In afwezigheid van…. wel, ze had het stiekem al voorspeld: hersens. Of tenminste, ze werkten niet goed. Die dag. Een doorbraak. Bijna net zo erg als de dijk bedoel ik dan. Ik heb niets tegen de band, maar die bedoel ik ook niet. Een echte dijkdoorbraak. Er wordt nog steeds gezegd dat het één van zijn vingers was die het gat dichtte, maar dat zullen we nooit weten. Welke vinger? In de naam van de roos? En dito-geur en daar bovenop nog de maneschijn? En de sterren? Wel, in één klap los ik direct een ander mysterie op.
Mensen vragen zich nog steeds af hoe het komt dat ik toch zo snel was. Nog wel ben eigenlijk. Nou. Op één zo’n fantastische, niet goed-werkende hoofd-zijde-dag, haalde ik het in mijn hoofd. Terug in onze straat na een bezoek aan het winkelcentrum, waar ik waarschijnlijk iets niet had gekregen wat ik wél wilde, deed ik het. Ik durfde mijn middelvinger op te steken naar mijn moeder. Mysterie snelheid opgelost. Door het rennen hing mijn tong naar buiten, maar die hing al naar buiten. Die kreeg ze bij die middelvinger. Wat dan op dat moment, en dat is heel fijn, vrij helder is, zélfs wanneer je dan pas zeven jaar oud bent, is dat je nergens heen rent. Waar je ook heen rent, uiteindelijk ben je uitgerend. En dat is het summum. Dat is het toppunt van alles. Daar, op die plek, daar gebeurt het. Vanaf het moment dat ik begon met rennen, kwam de spreekwoordelijke duivel die ik had opgewekt door mijn leukheid, tot volle wasdom. En toevallig gebeurde dat op die plek. Waar ik was toen ik was uitgerend. Maar dat wist ik.
‘Offline’
Waarschijnlijk kon je aan dit verhaal geen touw vastknopen. Ik ook niet. Daarom heb ik het maar hier losgelaten. Zodat je ziet wat ik helder vind. Als je er al iets uit kunt halen. Soms is het grijs gebied, maar: het zou niet moeten kunnen. Want wat ik wilde zeggen is dit.
In een wereld die beheerst wordt door computers, gebeurt het vaak dat communicatie middels, hoe toevallig dat dat hier genoemd wordt, computers tot stand komt. De kanalen hiervoor zijn legio. MSN is maar een voorbeeld. Deze pik ik er dus uit nu. De verschillende statussen heb ik door dit stuk heen genoemd. ‘Offline’, de laatste, is de meest duidelijke van allemaal. Tenminste, wás. Want die ’status’ bestaat niet meer. ‘Offline’ is tegenwoordig óók ‘Online’. Bill Gates heeft ‘Offline’ vermoord. Want ‘Offline’ bestaat niet meer. Zei ik al dat ‘Offline’ niet meer bestaat? Moet ik het helderder uitleggen? ‘Offline’ bestaat niet meer. Zoals je in de tegenwoordige tijd kunt zien wie er belt, is ook dit normaal geworden. Terwijl dat vroeger ondenkbaar was, nummerherkenning. Er is een hele generatie die die tijd niet eens kent. Maar wat wil je in een tijd waar kinderen van vier jaar al een mobiele telefoon hebben. Ik had toen gewoon heel veel knikkers en was net zo blij. Kon er alleen niet mee bellen want in die tijd waren er nog geen batterijen voor die knikkertelefoons. Maar een knikker door het raam en die jongen kwam gewoon knikkeren. Effectiever én het kostte me niets. Mij niet.
Het zou zomaar kunnen dat ook ík me bezondigd heb aan het sturen van offline-berichten aan mensen via MSN. Andersom gebeurt het ook. En meestal zijn het mensen die je kent, even testen: ‘Ben je er/undercover?’. Maar ook gebeurt het dat dat níet zo is. Mensen die je níet kent.
Dus. Ook voor kwekkerende mensen, em-es-ennende mensen, respecteer de regels van weleer: houd ‘Offline’ in leven. Want, laat ‘Offline’ nou eindelijk eens duidelijk zijn. De rest is grijs gebied en de afspraken daarvoor zijn soms duidelijk, soms ook niet. Speel ermee, kijk wat wel en niet kan. Gebruik je verstand in ieder geval. Het gezonde deel dan. Niet het grijze deel.
De nacht van de dag der dagen lag ik op bed en dacht aan wat er die middag was gebeurd. In mijn droom later was het alsof iemand op school een kilo geplette madam jeanetjes in mijn onderbroek had gegooid. Onderbroeken-Bert aan de achterkant zweette pééntjes en was niet blij. Maar altijd nog blijer dan ik. Terwijl ik daar lag, dacht ik aan het wegrennen. Had ik enig idee waar ik heen rende? Nee. Het enige waar ik voor wegrende was de duidelijkheid en de helderheid. Daar liggend had ik door dat ik op die dag het licht van de helderheid had gezien. Gevoeld werkelijk. De duidelijkheid. De logica erachter.
Mijn hersens werkten niet. Vertaald naar nu: ik stond op ‘Afwezig’. Maar mijn moeder stond op ‘Offline’ die middag. En ik waagde het haar tóch lastig te vallen met mijn middelvinger, die ze er eigenlijk af had moeten hakken. Het was ook nog eens de nieuwe ‘Offline’. En zij was niet gediend van mijn toenadering. Duidelijk niet.
Duidelijk, niet?
2008